Draaiende wind

Vrijdag ochtend weer vroeg vertrokken naar Duitsland en rond een uur of twee waren we op de plaats van bestemming. Snel alle spullen uitpakken, Mo in de kennel en bijpraten met de rest van de combinatie. Rond een uur of vijf mijn warme kleding aangetrokken, geweer en hond in de auto en op naar de kansel. De weersvoorspelling was onbewolkt Noordoosten wind en het zou een graad of 2 gaan vriezen. Mijn keuze was gevallen op kansel 6, een klein kanseltje op de hoek van een mooie wei, aangrenzend aan het bos. Een ideale plek voor roodwild . Rond 17:30 zat ik op de kansel en zoals altijd lag Mo, lekker warm, in de Defender te wachten op het verlossende schot. Het laatste licht verdween al snel uit mijn veldkijker en voor een behoorlijke tijd was ik van de buitenwereld afgesloten door al het donker om mij heen. Een vaag schijnsel over mijn rechter schouder kondigde de intocht van de maan aan en een half uurtje later had ik een prachtig verlichte wei. Laat ze nu maar komen dacht ik. Seconden werden minuten en minuten werden uren, maar waar ik ook keek, geen wild. Plots kwam er vanuit de bosrand een ree het veld op lopen en ik gluurde door mijn veldkijker om vast te stellen wat ik voor mij had staan, het was een mooie volle geit en ik besloot de geit te laten lopen. De geit kwam dichterbij en zekerde op 50 meter, ineens keek ze me recht aan en sprong af in de richting waar ze vandaan kwam. Had ze me gehoord? Nee, dat kan niet. Had ze me geroken dan? Ineens realiseerde ik me dat ik nog geen wind had gevoeld in mijn gezicht en dat was met de voorspelde wind wel te verwachten, ik stak een natte vinger uit het raampje van de kansel en kwam tot de ontdekking dat de achterkant van mijn vinger koud werd. Niet vreemd dus dat de geit afsprong, mijn geur werd door de wind over de wei, het bos in geblazen. Deze aanzit was voorbij. Verkleumt kwam ik bij de auto en Mo was erg blij me te zien, hij had lekker onder het dekentje gelegen en had niets gemerkt van de innige kou die zijn baas de hele avond had moeten trotseren. Samen reden we terug naar het jachthuis alwaar een lekker glas whisky mijn bevroren ingewanden weer deed ontdooien. Zaterdag avond heb ik op een kansel gezeten die “rukplaats zuid” heet, deze kansel ontleent zijn naam aan de grote hoeveelheid onkruid die daar uit de grond is gerukt om een kansel neer te zetten. Rond 5 uur had ik me weer gesetteld en lag Mo weer trouw te wachten in de auto. In de periode tussen zonsondergang en de opkomst van de maan verscheen er een hert ten tonele waarvan ik met de veldkijker alleen het silhouet kon zien. Het was beslist een jong hert en ik kon alleen de hoogte van het gewei zien, niet de hoeveelheid vertakkingen. Ik had de hoop dat het hert lang genoeg zou blijven staan om met behulp van opkomend maanlicht een inschatting te kunnen maken van zijn leeftijd en categorie, het hert verdween echter weer net zo rustig als hij verschenen was omdat een das flink wat herrie aan het maken was in een nabij gelegen stukje ruigte. Een paar uur later heb ik tegenover mij in het bos nog varkens gehoord, maar na een duidelijke schreeuwwas het helder dat ze de boel niet vertrouwden en dat ze niet op de voerplek zouden komen. Ook hier had de wind me weer parten gespeeld en de varkens hadden verwaaiing gehad. Hoogstwaarschijnlijk is de draaiende wind de reden geweest waarom niemand van de combinatie het weekend iets geschoten heeft of zelfs maar gezien heeft. Maar ja, dat is jacht.
.

Geef een reactie